Nederland beschikt over één van de sterkste en meest innovatieve voedselclusters ter wereld. Vanzelfsprekend is dit niet, benadrukken directeur Annemarie Breukers en voorzitter Dirk Duijzer van TKIAgri&Food.
‘In het buitenland zeggen ze: als Nederland het niet kan oplossen, kun je het nergens oplossen’
Met het manifest ’Bouwen aan een sterk en toekomstgericht Nederlands voedselcluster’ roept een brede coalitie vanuit de agrofoodsector op om te werken aan een toekomstbestendige koers richting 2050 voor het Nederlandse voedselsysteem. Goed voedsel en voedselzekerheid zorgen voor veiligheid, gezondheid, soevereiniteit en economische kracht, verklaren de ondertekenaars van het manifest. Nederland beschikt over één van de sterkste en meest innovatieve voedselclusters ter wereld. De sector is goed voor 7% van de Nederlandse economie en nauw verbonden met andere sectoren zoals logistiek, chemie en watertechnologie. ’We zijn een bijzondere sector. Nederland heeft een naam. Waar je ook komt in de wereld, het gaat altijd over onze agrifoodsector,’ stelt Duijzer. Op het oog lijkt er kortom weinig aan de hand, verklaart Breukers. ’De schappen van de supermarkt zijn altijd gevuld. De kwaliteit is goed en er is genoeg.’ Maar die vanzelfsprekendheid is misleidend. De druk op ons voedselsysteem neemt toe; voedselprijzen stijgen door de druk op het milieu, schaarste aan ruimte en de impact van klimaatverandering en geopolitieke spanningen. Dat raakt bijvoorbeeld de betaalbaarheid van gezond voedsel en daarmee de volksgezondheid, stelt ze. Redenen voor de oproep richting het nieuwe kabinet om met een plan te komen richting 2050. ’Het voedselsysteem bepaalt niet alleen hoe we eten, maar ook hoe we leven, onze gezondheid, hoe we produceren en welke positie we in de wereld innemen.’ ’In het buitenland zeggen ze: als Nederland het niet kan oplossen, kun je het nergens oplossen,’ vat Duijzer de huidige status samen.
Positieve uitdaging
’Er is geen sector die zo met beide voeten midden in de maatschappij staat. We vegen de uitdagingen en schaduwkanten niet onder het tapijt. Die verwevenheid vormt juist een enorme drijfveer om te verduurzamen,’ verklaart Breukers.’ Tegelijkertijd benadrukt ze dat elke verandering tijd kost. ’Maatschappelijke issues, zoals het herstel van biodiversiteit, de klimaatgevolgen, de eiwittransitie, het stikstofdossier en waterkwaliteit jagen innovaties aan die je pas later gaat zien.’ Kennis en innovatie moet je opdelen in drie tijdvakken, stelt ze: het hier en nu; de korte termijn van 5 à 10 jaar; en de issues die spelen op de lange termijn.’ Ze legt het uit aan de hand van de oplossingen op het gebied van waterkwaliteit en duurzaam waterbeheer. ’Kennis over wat nu al kan vindt zijn weg naar de praktijk via partijen als Rabobank die hierop een programma heeft voor haar leden.’ Meer verder weg gaat het om toegepast onderzoek en technologische innovaties op het gebied van toekomstbestendig, circulair watergebruik. Daarbij kijken we ook naar randvoorwaarden. ’Afvalwater mag je niet zomaar hergebruiken in de voedselketen, omdat het niet voldoet aan de drinkwaternorm. Maar dat belemmert ook toepassingen waarbij de voedselveiligheid niet in het geding is. Daarom is samenwerking met de overheid in dit soort projecten belangrijk.’
Een andere lijn is samenwerking in de regio. ’Je ziet her en der pareltjes qua sociale innovatie. In plaats van dat iedereen het wiel probeert uit te vinden, helpen we succesvolle voorbeelden mainstream te maken.’ Op nog langere termijn spelen weer andere uitdagingen, zoals de ontwikkeling van gewassen die goed tegen verzilting en droogte kunnen. ’Het begint met een stip aan de horizon. Bij alle onderwerpen – denk ook aan de eiwittransitie of klimaateffecten – kun je die drie stappen zien.’ De kracht van het Nederlandse systeem is de triple helixsamenwerking, vertelt ze. ’Zaken als wetgeving en vergunningen, zoals bij circulair watergebruik, ligt in het publieke domein. De innovatie vindt plaats in de sector en onderwijs en onderzoek zorgen voor wetenschappelijke expertise.






