De klimaatdoelstellingen voor wegtransport zijn onhaalbaar. Die conclusie klinkt steeds luider in de sector. Maar ze onthult eerder een fundamenteel beleidsprobleem dan een technologisch falen. De technologie om de transitie wél te laten slagen, bestaat al.
‘De technologie is er, de brandstof is beschikbaar en je kunt vandaag beginnen
De netcongestie die Nederland inmiddels in zijn greep houdt, is geen toeval. Ze is het directe gevolg van beleid dat één technologie als zaligmakend bestempelt voor een complex, veelzijdig vraagstuk. Terwijl de technologie om de transitie te laten slagen al bestaat. Wat ontbreekt, is beleid dat daarnaar handelt. OG Clean Fuels werkt al achttien jaar aan een andere aanpak. Het in Heerenveen gevestigde bedrijf levert uitsluitend schone brandstoffen en is actief in Nederland, Duitsland, Zweden, Frankrijk en Italië. ‘Wij zijn ervan overtuigd dat als we alle schone brandstoffen op hun waarde schatten, we de klimaatdoelstellingen in het Europese transport kunnen halen,’ zegt CEO Marcel Borger. De sleutel daartoe is de multifuelstrategie: een combinatie van Bio-CNG, Bio-LNG, HVO100 en elektrisch, aangevuld met waterstof voor de langere termijn. Niet als tijdelijke maatregel, maar als structureel model. ‘Elke brandstof heeft zijn beste toepassing. Dat geldt voor stedelijke distributie, voor langeafstandstransport en voor alles daartussenin.’
Tunnelvisie kost tijd en geld
De huidige beleidsfocus op elektrisch rijden is begrijpelijk, maar te eenzijdig. Borger wijst op een concreet voorbeeld: DHL rijdt inmiddels met bijna 1.400 trucks op Bio-CNG en realiseert daarmee een CO2-score van -102 gram, ruim onder de Europese norm van 93 gram. Elektrisch staat op nul. ‘Zero emission klinkt goed, maar als je van bron tot uitlaat rekent, de zogenaamde Well-to-Wheel-benadering, dan presteren biobrandstoffen in bepaalde toepassingen zelfs beter dan EV’s.’ Dat Duitsland die methode al als standaard hanteert en Nederland niet, illustreert het beleidsvacuüm. Een bredere inzet op biobrandstoffen had de overbelasting van het stroomnet voor een groot deel kunnen voorkomen, als het maar beleidsmatig was gestimuleerd. Borger pleit voor één fundamentele beleidswijziging: de Well-to-Wheel-benadering als Europese standaard. Daarbij wordt niet de uitstoot bij de uitlaat gemeten, maar de volledige CO2-voetafdruk van bron tot eindgebruik. ‘Als je dat eerlijk doorrekent, inclusief de energiemix waarmee een elektrisch voertuig wordt opgeladen, verandert het beeld aanzienlijk. Biobrandstoffen uit mest of rioolwater scoren dan zelfs negatief op CO2.’
Haalbaar en betaalbaar, nu
Biobrandstoffen zijn niet alleen duurzaam, ze zijn direct inzetbaar en concurrerend geprijsd ten opzichte van diesel. HVO100, synthetische biodiesel van het Finse bedrijf Neste, biedt transporteurs een directe instap zonder technische aanpassingen aan het voertuig. Wie 20% van zijn wagenpark ombouwt, realiseert al 90% CO2-reductie op dat deel. Bio-CNG en Bio-LNG worden geproduceerd uit mest en rioolwater, lokaal en gecertificeerd via erkende systemen zoals de NEA in Nederland. ‘Haalbaar en betaalbaar, dat zijn de twee termen die ertoe doen. De technologie is er, de brandstof is beschikbaar en je kunt vandaag beginnen.’ Die stapsgewijze, pragmatische aanpak is precies wat de sector nodig heeft. Transporteurs die worden gevraagd hun volledige wagenpark in één keer te elektrificeren, haken af. ‘Als je tien jaar geleden was begonnen met één of twee procent per jaar, waren we nu veel verder. Dat is hoe elk gezond bedrijf zijn investeringen plant. De overheid vraagt iets wat ze zelf nooit zou doen.’ Met de combinatie van HVO100 als directe vervanger, Bio-CNG voor middelzwaar transport en Bio-LNG voor langeafstandsritten, ontstaat een realistisch transitiepad dat aansluit op de logistieke praktijk. Dat schone brandstoffen ook commercieel houdbaar zijn, bewijst OG Clean Fuels met zestien opeenvolgende jaren positieve resultaten. Zelfs nu de gasprijs door geopolitieke spanningen zomaar met 25% stijgt, blijft onze prijs stabiel dankzij langdurige contracten met biogasproducenten in Nederland en Duitsland. Die lokale verankering maakt het model robuust tegen externe schokken. ‘En dat is precies de energiezekerheid waar Nederland naar op zoek is.’






