Nederland beschikt over een sterk zorgstelsel. Wie ziek wordt, kan rekenen op hoogwaardige medische kennis, geavanceerde diagnostiek en steeds betere behandelingen. Maar juist dat succes maakt een fundamentele vraag urgenter: hoe houden we goede zorg toegankelijk als de zorgvraag blijft groeien, personeel schaarser wordt en chronische aandoeningen toenemen?
Niet méér meten, maar gezondheidsrisico’s eerder en slimmer herkennen
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid waarschuwt dat deze groei financieel, personeel en maatschappelijk niet houdbaar is. Efficiënter werken is onvoldoende. Preventie gaat daarom niet alleen om individuele gezondheidswinst, maar ook om het beperken van toekomstige zorgvraag en gericht inzetten van schaarse professionele capaciteit. Daarvoor is een omslag nodig. Niet van curatieve zorg naar preventie, maar van een zorgstelsel dat vooral ziekte behandelt naar een gezondheidsstelsel dat óók gezondheid beschermt.
Twee routes binnen één stelsel
De curatieve zorg volgt een vertrouwde route: klachten worden beoordeeld, diagnostiek wordt ingezet en waar nodig volgen behandeling en nazorg. Opleidingen, richtlijnen, verantwoordelijkheden en financiering sluiten op deze logica aan. Proactieve gezondheidszorg begint eerder. Er hoeft nog geen klacht of ziekte te zijn. Het vertrekpunt is een relevant gezondheidsrisico én de mogelijkheid om daar iets aan te veranderen. De vraag is niet alleen wat iemand mankeert, maar ook welke risico’s zich ontwikkelen en of tijdig handelen ziekte kan voorkomen, uitstellen of beperken. Ook die route vraagt om structuur. Eerst wordt bepaald bij wie een risico relevant is. Daarna volgt welke informatie iets toevoegt, hoe die moet worden geïnterpreteerd en welk handelingsperspectief erbij hoort. Dat is de kern van tijdige diagnostiek: onderzoeken wanneer de uitkomst een relevante beslissing kan veranderen. Curatie en preventie zijn geen concurrerende systemen. Als vroegsignalering aanwijzingen voor ziekte oplevert, moet iemand eenvoudig kunnen doorstromen naar reguliere diagnostiek en behandeling. Andersom kan informatie uit de curatieve zorg aanleiding zijn opnieuw naar beïnvloedbare risico’s te kijken.
Niet iedereen op alles testen
Een schaalbaar preventiemodel begint met terughoudendheid. Iedereen op alles onderzoeken is onbetaalbaar en leidt tot toevalsbevindingen, onzekerheid, medicalisering en vervolgzorg. Daarom is risicostratificatie essentieel. Alleen bij een voldoende verhoogde kans op een gezondheidsprobleem kan aanvullende diagnostiek echt waarde toevoegen. Leeftijd alleen is vaak onvoldoende. Twee mensen van 55 kunnen medisch sterk verschillen door familiaire belasting, bloeddruk, medicatiegebruik, nierfunctie of eerdere laboratoriumuitslagen. Schaalbare preventie betekent dus niet dat iedereen hetzelfde aanbod krijgt, maar dat we op grote schaal beter leren differentiëren. Voor iedere preventieve meting moet vooraf duidelijk zijn wat met de uitkomst gebeurt. Bij een laag risico kan verdere zorg achterwege blijven. Bij een intermediair risico kunnen leefstijlverandering of monitoring passend zijn. Bij een hoog risico kan aanvullende diagnostiek of beoordeling door een zorgprofessional nodig zijn. Het doel is niet zoveel mogelijk afwijkingen vroeg te vinden, maar informatie te verkrijgen die een relevante beslissing verandert.
Bestaande informatie slimmer gebruiken
Veel benodigde informatie bestaat al: laboratoriumuitslagen, medicatiegegevens, bloeddrukmetingen, beeldvorming en andere klinische gegevens. Die gebruiken we nu vooral voor de zorgvraag van vandaag. Juist het verloop over langere tijd kan extra inzicht geven. Een enkele laboratoriumwaarde is een momentopname. Veranderingen over jaren, combinaties van waarden en koppelingen met leeftijd, medicatie of bestaande aandoeningen geven een completer beeld van risico’s. De uitdaging is daarom niet vooral méér gezondheidsdata verzamelen, maar bestaande informatie slimmer en doelgerichter benutten. Kunstmatige intelligentie kan patronen herkennen, veranderingen signaleren en grote hoeveelheden informatie combineren. Maar meer signalen zijn niet automatisch beter. Een systeem dat extra waarschuwingen en risicoscores produceert voor zorgprofessionals die al onder druk staan, vergroot het capaciteitsprobleem. De interessantste toepassing van AI ligt daarom in selectie en prioritering: bepalen welke informatie ertoe doet, voor wie en op welk moment. Zo kan technologie professionele capaciteit vrijspelen.
Van diagnostiek naar health intelligence
Deze ontwikkeling verandert ook de mogelijke rol van diagnostische organisaties als Unilabs. De kern blijft betrouwbare diagnostische informatie leveren. Daarnaast kan een tweede functie ontstaan: beschikbare informatie helpen duiden en vertalen naar betekenisvolle beslissingen. Een voorbeeld is familiaire hypercholesterolemie. Een sterk verhoogd LDL-cholesterol is op zichzelf geen diagnose, maar kan wel een belangrijk signaal zijn. Door zo’n uitslag te combineren met eerdere lipidenwaarden, leeftijd, medicatie en beschikbare klinische informatie kan gerichter worden beoordeeld bij wie aanvullende aandacht of diagnostiek zinvol is. De meerwaarde zit niet in opnieuw meten, maar in slimmer gebruik van informatie die vaak al beschikbaar is.
Met initiatieven als LifeCode onderzoekt Unilabs hoe gezondheidsinformatie kan worden gecombineerd, geprioriteerd en verbonden aan een concreet handelings- perspectief. De laboratoriumuitslag is dan niet automatisch het eindpunt, maar onderdeel van een bredere route. Dat vereist duidelijke grenzen. Een diagnostische organisatie kent nooit zelfstandig de volledige context van een persoon. De huisarts brengt klinische en persoonlijke context in; de patiënt weet wat haalbaar en wenselijk is. Technologie moet die besluitvorming ondersteunen, niet overnemen.
Investeren met een langere horizon
Zelfs als duidelijker wordt hoe proactieve gezondheidszorg eruit kan zien, blijft financiering een fundamenteel vraagstuk. De preventieve route kan niet eenvoudig worden betaald met middelen uit de curatieve zorg. Mensen die vandaag ziek zijn, moeten goede zorg blijven krijgen, terwijl tegelijk wordt geïnvesteerd in het voorkomen of uitstellen van de ziekte van morgen. Preventie leidt bovendien niet automatisch tot lagere zorgkosten. Sommige interventies voorkomen of vertragen toekomstige zorg. Andere leveren vooral gezondheidswinst, extra gezonde levensjaren of een betere kwaliteit van leven op. Kosten en baten vallen vaak op verschillende momenten en bij verschillende partijen: de investering gebeurt vandaag, terwijl de gezondheidswinst soms pas jaren later zichtbaar wordt.
Proactieve gezondheidszorg vraagt daarom om een langere financiële horizon. Bewezen, doelgerichte preventie moet vaker gelden als investering in toekomstige gezondheidswaarde, niet uitsluitend als zorguitgave binnen één begrotingsjaar.
Gezondheid beschermen als tweede pijler
De omslag naar een gezondheidsstelsel vraagt niet om één nieuwe technologie of één preventieprogramma, maar om een tweede, complementaire logica naast de curatieve zorg: relevante risico’s eerder herkennen, gerichter selecteren, alleen aanvullende informatie verzamelen als die een beslissing kan veranderen, vooraf het handelingsperspectief bepalen en technologie inzetten om te prioriteren. Vervolgens moet worden gemeten of interventies werkelijk gezondheidswinst opleveren. Wat werkt, kan worden opgeschaald; wat onvoldoende waarde toevoegt, moet worden aangepast of gestopt.
Slimmer verbinden
Nederland heeft veel van de benodigde kennis, expertise en infrastructuur al in huis. De grootste innovatie zit waarschijnlijk niet in nóg meer meten, maar in het slimmer verbinden van wat we al weten Naast goede ziektebehandeling moeten we voor Nederland een doordachte route ontwikkelen die gezondheid beschermt. Niet wachten op de ziekte van morgen, maar vandaag leren waar tijdig handelen echt verschil maakt.






