De bouwsector is de laatste jaren een van de stuwende krachten voor de economische groei geweest. Bouwend Nederland-voorman Maxime Verhagen is optimistisch over de vooruitzichten voor de sector, maar sluit zijn ogen niet voor de bottlenecks die de ambities qua woningbouw en infrastructuur kunnen vertragen.

“De leden van onze branchevereniging zijn ondernemers. Die zijn per definitie optimistisch,” constateert Maxime Verhagen. Zijn belangrijkste wens: “Onze sector is nodig om de maatschappelijke uitdagingen van nu te realiseren. Wat we niet kunnen hebben, is onzekerheid over het langetermijnperspectief. De komende tijd zal helderheid en zekerheid moeten komen over zaken als een structurele oplossing voor de stikstofproblematiek.”

Onzekerheid

De bouw had al problemen vóór het begin van de coronacrisis, met de stikstofcrisis en de PFAS-problematiek, stelt Maxime Verhagen, gevraagd naar de vooruitzichten op korte termijn. “Corona heeft die onzekerheid versterkt. Het Economisch Instituut voor de Bouw heeft in maart becijferd dat bij een daling van het BBP met 5% de bouwproductie met 15% krimpt.” Uiteindelijk lijkt het effect mee te vallen. “Kijk je nu terug, dan zie je dat aan het begin van de crisis vertraging ontstond, maar dat het vrij snel is rechtgetrokken. In de particuliere markt trekt de vraag nu al aan.”

Gevraagd naar de lessen van de financiële crisis, tien jaar geleden, antwoordt Verhagen. “Er zijn significante verschillen. Tien jaar terug zagen we vooral ook vraaguitval. Momenteel is de vraag naar woningen onverminderd hoog. Wat je tijdens de vorige crisis zag, is dat de overheid wel heeft ingegrepen, maar te laat. En ook met maatregelen waardoor de crisis verdiepte. Daar hebben ze van geleerd. Wat we met Prinsjesdag zien, en waar Bouwend Nederland samen met de woningbouwalliantie werk van heeft gemaakt, zijn maatregelen om de woningmarkt op gang te houden bijvoorbeeld voor starters en doorstromers op de markt. Corporaties krijgen meer ruimte om te investeren, zodat de woningmarkt een extra impuls krijgt. Qua infrastructuur worden investeringen naar voren gehaald. Wat ons zorgen blijft baren zijn de infrastructurele investeringen van gemeenten en het uitblijven van een structurele oplossing voor de stikstofproblematiek. Er blijven echt extra investeringen op zowel gemeentelijk als Rijksniveau nodig om een goede bereikbaarheid en veilige en hoogwaardige infrastructuur te houden.”

Aantrekkelijke werkgever

De sector verwacht na 2021 een sterke groei, maar vóór die tijd voorziet Verhagen eerst nog een terugval. “De bouw is altijd laat-cyclisch, de effecten worden over het algemeen pas zo’n anderhalf jaar later gevoeld. Dat verwachten we nu ook. Met name bij gemeenten is de financiële positie verzwakt. We moeten voorkomen dat we aankomend jaar alsnog in een dip terechtkomen. Met name voor de infrasector is dat belangrijk, omdat die voor het grootste deel afhankelijk zijn van overheidsinvesteringen.

De bouw is nodig voor vrijwel alle maatschappelijke uitdagingen waar we nu voor staan. De energietransitie, de verduurzaming van de gebouwde omgeving, de woningnood en de mobiliteitsvraag. Dat betekent dat de maatregelen die we nu moeten nemen, en waar Prinsjesdag een goede eerste stap in was, moeten voorkomen dat heel veel vakkrachten de bouw uitstromen.”

“Onze boodschap aan de overheden luidt: benut de economische kracht van de bouw. Veertig procent van de economische groei van het afgelopen jaar kwam op het conto van de bouw. Laat ons een rol spelen om sterk uit de crisis te komen.” De bouw is een aantrekkelijke werkgever met baanzekerheid, benadrukt Verhagen. “Wij hebben mensen nodig. De komende jaren zo’n 44.000. Mensen die willen overstappen vanuit een andere bedrijfstak kunnen we vaak goed gebruiken. Samen met vakbonden en andere technische branches zijn we aan het kijken hoe we mensen in andere sectoren, die hun baan kwijtraken, aan het werk kunnen houden.”

“Benut de economische kracht van de bouw. Veertig procent van de economische groei van het afgelopen jaar kwam op het conto van de bouw.”

Integrale benadering

Verhagen hoopt dat het kabinet nog meer de regie naar zich toetrekt qua ruimtelijke ontwikkeling, klimaat en energietransitie. “Veel vertragingen ontstaan doordat verschillende overheidslagen met elkaar in de clinch liggen. Een integrale benadering zou veel schelen.” Hij gebruikt het stikstofdossier als voorbeeld. “Daar moeten we echt van leren. Op verschillende departementen zijn verschillende visies. Je hebt het departement van Landbouw, Binnenlandse Zaken, Infrastructuur & Waterstaat. Ze moeten er samen uitkomen, maar hebben te maken met verschillende deelbelangen. Die op elkaar afstemmen is een uitdaging. De bouw is verantwoordelijk voor 0,6% van de stikstofuitstoot, maar wordt onevenredig hard geraakt. Er moet een structurele oplossing komen. Anders hebben alle investeringen in woningen en infrastructuur geen zin, omdat de stikstofuitstoot in de weg zit. Stikstof is een voorbeeld waarmee we nu mee worden geconfronteerd.”

Zonder integrale aanpak is het wachten op het volgende probleem, zoals geluid, neerslagoverlast of droogte, waarschuwt hij. “We zijn een klein land met grote ambities. Dat gaat gepaard met duidelijke keuzes. Er is behoefte aan een visie en een focus op de lange termijn. Het is belangrijk dat de overheid stabiliteit creëert voor ondernemers. Dat begint bij een sterke samenwerking tussen overheid, kennispartners en de markt, maar voor innovatie heb je ook perspectief nodig.”

Total cost of ownership

De bouw wordt ten onrechte gezien als een conservatieve sector, meent Verhagen. “Er zijn enorme sprongen gemaakt. We ontwerpen energieneutrale gebouwen. Er worden steeds meer geprefabriceerde bouwelementen ontwikkeld. Hele bruggen worden in de fabriek gebouwd. Andere voorbeelden zijn er op het gebied van digitalisering, zoals het vastleggen in databases van de toegepaste materialen voor hergebruik. Die vernieuwingen versnel je door onzekerheden uit de markt te halen. Dan kun je investeren, innoveren en de processen aanpassen.

Als voorbeeld van de veranderingen noemt hij de just-in-time leveringen en bouwhubs voor de bevoorrading van bouwlocaties. “Dat wordt vaak gestuurd vanuit de verduurzaming, milieuzones en kostenbesparing. Dat betekent dat je nieuwe manieren ontdekt om de bouwlogistiek te stroomlijnen.”

Bij infrastructurele projecten moet in de toekomst steeds vaker de total-cost-of-ownership benadering gehanteerd gaan worden, waarbij de opdrachtgever niet alleen kijkt naar de bouwkosten van een werk, maar ook naar zaken als de onderhoudskosten, toegepaste materialen en levensduur. Het is een noodzakelijke omslag in het denken, stelt Verhagen. “Wat de afgelopen jaren te vaak is gebeurd, is dat grote werken in de markt worden gezet, waarbij de risico’s volledig aan de markt worden overgelaten.” Als voorbeeld haalt hij de bouw van de nieuwe zeesluis in IJmuiden aan, die door onvoorziene omstandigheden aanzienlijk duurder uitvalt. Het risico is voor de bouwer.

“Waar je naartoe wil, is een samenwerking waarbij niet op de laagste prijs wordt gegund – dat geldt ook voor kleinere projecten –, maar onderscheidende criteria als duurzaamheid, logistiek, circulariteit en innovatiekracht zwaarder wegen. Richting toekomst is dat belangrijk. Dan kunnen we met elkaar een mooier werk bouwen, nieuwe technieken toepassen, dat langer meegaat.”

Extra geld naar woningbouw en infra

Het kabinet heeft voor komend jaar 150 miljoen euro extra uitgetrokken voor de bouw van 15.000 tot 25.000 (extra) woningen. In het stikstofdossier komt tot 2030 jaarlijks 100 miljoen euro beschikbaar voor het wegnemen van belemmeringen rondom de woningbouw. Het kabinet trekt in 2021 vervroegd € 1,9 miljard uit voor noodzakelijk onderhoud aan wegen, bruggen, sluizen en het spoor.