De provincie Zuid-Holland zet maximaal in op het gebruik van warmte voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving. De provincie heeft de luxepositie van een ruime beschikbaarheid van restwarmte van de haven en geothermie. NEN biedt de provincie, gemeenten en andere betrokken partijen een onafhankelijk platform voor het afstemmen van de normen en standaarden die nodig zijn voor veilig en betrouwbaar warmtetransport- en distributienetwerken.

Zuid-Holland is de dichtstbevolkte provincie van Nederland. “We willen het groene hart zoveel mogelijk vrijhouden van windmolens en zonneparken,” vertelt projectmanager Energietransitie Gebouwde Omgeving en Warmte voor de provincie, Ronald Prins. (Rest)warmte is een ruim voorhanden alternatief, maar levert weer andere vragen op, vertelt hij. “Er zijn 52 gemeentes in Zuid-Holland betrokken bij het van de grond trekken van het warmtedistributienetten. Niet iedere gemeente is voorbereid op de kennis die nodig is om dat voor elkaar te krijgen.”

Warmtenet

“Warmte is in een enorme versnelling gekomen. Heel veel mensen gaan aan de slag met pionieren, zonder al te veel kennis. Er is behoefte aan een platform, waar de noodzaak van normalisatie kan worden besproken,” benadrukt Prins. Het is een van de redenen waarom de provincie Zuid-Holland en NEN met elkaar in gesprek zijn, verklaart Janwillem van den Berg. “Bij NEN hebben we een organisatiebreed programma dat zich bezighoudt met de energietransitie. Een van de belangrijke onderwerpen waar nog veel voor moet worden geregeld is de warmtetransitie. Normalisatie kan hierbij helpen” Hij noemt als voorbeeld de kwaliteit en zekerheid van de warmtelevering. “Hoeveel warmte gaat er op een bepaald moment door het transportnetwerk en wat is precies de temperatuur? Daar moeten duidelijke afspraken over worden gemaakt én kunnen standaarden uitkomst bieden.”

NEN onderzoekt de wenselijkheid van een normalisatieplatform op warmtegebied. “Op dit moment worden verschillende rekenmodellen gehanteerd om vast te stellen welke warmtevoorziening het meest geschikt is voor een gemeente. Het kan heel belangrijk zijn om daar een standaard voor te ontwikkelen, zodat de uitgangspunten voor iedereen gelijk zijn. Als NEN proberen we de relevante partijen bij elkaar te krijgen, om te kijken hoe standaardisering kan bijdragen in veiligheid en vertrouwen in de nieuwe techniek. Denk aan leveranciers van warmtenetten, warmteproducenten, de installatiesector en gemeenten en provincies.

Neutraal referentiekader

Normalisering draagt bij aan een veilige en betrouwbare warmte-infrastructuur. “We zijn een onafhankelijke organisatie, dat een platform biedt aan alle belanghebbende partijen om op een bepaald onderwerp gezamenlijk tot kwaliteitsafspraken te komen. De onderwerpen kunnen heel klein zijn, bijvoorbeeld hoeveel lawaai een warmtepomp in huis mag maken, tot veel grotere vraagstukken zoals het warmtenet in de provincie Zuid-Holland. Vaak kom je er in gezamenlijke gesprekken pas achter dat je voor een onderwerp iets moet regelen. In een norm gebeurt dat op basis van consensus. Alle partijen groot en klein hebben een even grote stem. Voor NEN als neutrale partij maakt het niet uit of een uitkomst A of B is, zolang de kwaliteit ervan en draagvlak ervoor is geborgd.”

“Normen zijn ontzettend belangrijk. Je hebt een referentiekader nodig,” meent Prins. “In politieke discussies over het warmtenet zijn emoties nu soms dominant: “Is deze prijs niet te hoog?” Het helpt bestuurders als ze kunnen terugvallen op een kenniskader waar normen in zitten die gegarandeerd zijn. Daarmee zijn de emoties niet weg, maar je krijgt een zuiverdere discussie. Je kunt verwijzen naar normen waarop je je beleidskeuzes baseert.”

Prins maakt de vergelijking met warmtepompen. Deze ontwikkelen zich snel en daarmee ook de specificaties over energiegebruik, geluidsniveau en levensduur.  “Je wilt dat de aannames gevalideerd zijn. De normen bieden een neutraal kader. Iedereen weet hoe je tot de beoordeling komt.” Als voorbeeld noemt hij de levensduur van een warmtepomp. “Het is belangrijk dat er een eenduidige norm is. Bijvoorbeeld hoelang een pomp minimaal mee zou moeten gaan.”

Versnellen van de transitie

Janwillem van den Berg: “Vanuit NEN onderzoeken we op welke onderwerpen we kunnen bijdragen met het versnellen van de transitie door het wegnemen van barrières. Soms komt die vraag vanuit de overheid of van andere stakeholders, maar soms ook proactief vanuit onszelf. Uitgangspunt is de simpele vraag: hoe kunnen normen bijdragen om van de warmtetransitie een succes te maken? Welke hobbels zijn er? Waar is afstemming voor nodig? Doordat we alle stakeholders aan tafel hebben, kunnen we die toegevoegde waarde bieden.”